Ondanks uitgebreide wet- en regelgeving die bedoeld is om beroepsziekten te voorkomen, worden werknemers nog steeds ziek door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Een verklaring hiervoor is dat er vaak onvoldoende informatie beschikbaar is over een gevaarlijke stof of over het soort werk dat ziekte kan veroorzaken. Daardoor wordt het verband tussen ziekte en werk vaak pas onderkend nadat iemand ziek is geworden: een reactieve aanpak die bekendstaat als de „ziekte-eerst-benadering”.
Een betere aanpak is om gevaarlijke stoffen of soorten werkzaamheden in kaart te brengen voordat mensen ziek worden: de „risicogerichte aanpak”. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een overzicht opgesteld van methoden waarmee kan worden voorspeld of een gevaarlijke stof of een bepaald soort werk waarschijnlijk een beroepsziekte zal veroorzaken.
Aanhoudende kennislacunes
Er bestaan nog steeds aanzienlijke hiaten in de kennis over de schadelijke effecten van gevaarlijke stoffen en de blootstelling van werknemers daaraan. Een belangrijke reden hiervoor is dat de Risico analyse van de meeste chemische stoffen is gebaseerd op tests naar orale toxiciteit, terwijl werknemers voornamelijk via inademing of huidcontact aan chemische stoffen worden blootgesteld. Bovendien zijn sommige gezondheidseffecten mogelijk nog niet vastgesteld en kunnen blootstellingsgegevens ontbreken of worden onderschat.
Risicogerichte methoden: een overzicht
Nieuwe en opkomende risico’s van chemische stoffen (NERC’s) kunnen in verschillende stadia van de ontwikkeling van een stof worden opgespoord, waarbij zowel een ‘risico-eerst’- als een ‘ziekte-eerst’-benadering wordt gehanteerd. De ‘risk-first’-benadering richt zich op chemische stoffen en materialen die zich nog voornamelijk in de innovatie- of vroege marktfase bevinden. Signalen over mogelijke gevaren, zowel voor de chemische veiligheid als voor de gezondheid op het werk, kunnen worden opgemerkt door gegevens over gevaarlijke eigenschappen te combineren met gegevens over mogelijke blootstelling of gebruik.
Verschillende onderzoeksinstituten en regelgevende instanties hebben risicogerichte methoden voor vroegtijdige risicodetectie ontwikkeld of zijn daarmee bezig, waaronder de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) en het RIVM. Uit samenwerkingsverbanden en partnerschappen zijn nog meer methoden voortgekomen. Het RIVM heeft ook andere benaderingen geïdentificeerd die als ‘risk-first’-methoden kunnen dienen, zoals het TICHNER-proces en diverse in-silico-methoden voor de vroegtijdige detectie van chemische toxiciteit.
Uit het overzicht blijkt dat elke methode een ander doel dient en dat zowel de hoeveelheid werk als de benodigde informatie per methode aanzienlijk verschillen.
Op weg naar verdere ontwikkeling
Het RIVM heeft de geïdentificeerde ‘risk-first’-methoden getoetst aan een reeks criteria om te bepalen in hoeverre ze geschikt zijn om de ‘risk-first’-aanpak te versterken. De meest veelbelovende methoden zijn high-throughput-benaderingen die gebruikmaken van grote databases en gegevens over gevaren en blootstelling combineren. Er is echter geen enkele methode die aan alle criteria voldoet, en bij elke methode is nog steeds deskundig oordeel nodig voor het stellen van prioriteiten en het nemen van vervolgmaatregelen. Op basis van deze beoordeling zijn twee methoden geselecteerd voor verdere ontwikkeling: de in-silico-voorspellingstools van Lexces en de RIVM-toolbox voor hormoonontregelaars. Dit werk draagt bij aan een meer preventieve aanpak van beroepsgerelateerde kankers.
- Lees de volledige publicatie (in het Engels)